Pagina's

maandag 13 januari 2025

Het geschenk van het donker

Mijn ogen zijn vermoeid van het computerscherm.
Ik ben moe, maar mijn mentale energie zit goed.
Ik denk aan deze morgen. Aan M. Ik hoor het mezelf nog zeggen:

"Wij zitten zo hard op dezelfde frequentie. Oh, het doet me zo goed om mensen als jij rond me te hebben."
"Zot he..." zegt ze.
"De rest kan de boom in."

Er zit nog kwaadheid in die zin, maar tegenwoordig ook vooral kracht en evenwicht. En daar bedank ik die kwaadheid voor.
Ik vertelde haar het verhaal van de afgelopen tien maanden. All of it. Hoe ik me gevoeld heb, hoe hard ik gevochten had om vanalles en nog wat in stand te houden en op te vangen, de angstaanvallen die ermee gepaard gingen, de zelftwijfels, de zorgen, de nieuwe aanpakken, de therapiesessies,... En man, wat deed het deugd om niet te moeten afwegen.

"Mijn standaard ligt zo anders nu." zeg ik. "En 90% van mijn omgeving is daardoor weggevallen."
Ze knikt. Herkent haar eigen verhaal in dat van mij. 
"Ik ben er niet triest om. Niet meer. Dat eenzame en pijnlijke rouwproces maakte ik maanden geleden door." 

Er beweegt vanalles op mijn computerscherm. Mijn muis zwiert van hier naar daar om foto's te verslepen, templates te maken, teksten te schrijven en concepten uit te werken.
Ik herhaal ons gesprek verder in mijn hoofd.

"Je zou denken dat het nog zwaarder zou wegen nu, en dat was ook zo hé, in het begin, maar..."
"- Bevrijdend hé." Ze maakte mijn zin af. Ik zuchtte, blij dat ze me begreep. Zo blij dat wij samen keihard werkten aan onszelf en wie we zijn.
"Échte ruimte voor nieuw." Glimlach ik. "Voor mensen en omgevingen die in lijn zijn met wie ík ben."

Ik vertelde hoe alles in één keer afgebrokkeld was op een paar maanden tijd. Relaties, vriendschappen en werk. Want mijn ogen werden op alle vlakken tegelijk plots geopend. Er ging een lampje branden. Ik kon niet zijn wie ik écht was zonder gevolgen. Ik vroeg op een cruciaal moment om diepe hulp, diepe verbinding, diepe eenheid, en ik werd op mezelf toegewezen. Hetgeen waar ze van zeiden dat ik ze moest vertrouwen. Hetgeen waarvoor ik zo, zo hard gewerkt had om te proberen vertrouwen. En dat was mijn kantelpunt geweest. Dus ik liet het brokkelen, ik liet het instorten. Ik keek toe en dacht aan een quote uit Outlander, een Netflixserie die mijn virtuele safespace werd: "For now, all you gotta do is breathe." Dus ik begon daarnaar te leven.

Ik liet los en koos voor mijn authenticiteit. Doodeng was het, is het. Maar wat is de groei exponentieel geweest tot nu toe.

Ik stop even met werken en voel een golf van gemis. Soms is ze daar nog, die eenzaamheid, die gekwetstheid, die kwaadheid.
Ik vertel mezelf dat er niets moet gebroken worden. Dat maakte ik voor mezelf ook meteen uit nadat het bewustzijn me getroffen had. 
Ik denk aan mama's woorden: "Ze schuiven gewoon een wagonnetje op in je trein." Ik glimlach wanneer ik eraan denk. "Plezier en kameraadschap." zegt ze. "En dan heb je zij die in je bubbel mogen, bij je kern. De voorste wagon."

Ze heeft gelijk. Al was het voor mij altijd een huis. Zij die in mijn voortuin mogen vertoeven, kampvuurtjes maken, dansen, plezier maken, en zij die binnen mogen in mijn huis. Tijd om grote kuis te doen in dat huis, en er een paar te laten doorschuiven naar de voortuin.

Ik kijk trots naar mijn computerscherm. Naar mijn nieuw kindje. Het project dat ik twee jaar geleden opstartte en dat nu eindelijk haar vorm begint aan te nemen. Mijn tweede bedrijf. Mijn grote visie, mijn grote doel. Groter dan mijn fotografie. De nieuwe energie die zich door mijn werkveld zal blazen nu ik ook daar ruimte heb gemaakt voor nieuwe dingen.
Efkes keihard doorboeren en alles op alles zetten, me terugtrekken in een gesloten cocon en daarna uitvliegen en leven zoals ik het wil.
Ach, en weer ben ik zo dankbaar voor de zware dingen. Want daar zitten ze, mijn kantelpunten, mijn doorbraken, mijn groeimomenten. Het donker dat ervoor zorgt dat ik mijn lichtjes terug kan leren aansteken. De cocon die van de rups een vlinder maakt.

Wat is het toch machtig, dit alles.
Yeah, I got this.



vrijdag 22 november 2024

Ik glimlachte, aaide het over z'n bolletje en zei: 't komt wel goed.

 Mijn kin rust op mijn handen terwijl ik naar mijn scherm kijk.
Mijn ogen vallen dicht en ik denk aan hoe ver ik achterloop met de bewerking van mijn foto's.
Ik wrijf over mijn nek in de ijdele hoop de permanente knobbels los te krijgen. 

Voor ik het weet zit ik diep in gedachten. Geen al te positieve.
Wanneer ik buiten ben, onder mensen, is het gemakkelijker om mezelf ervan af te leiden. Maar als ik alleen ben (en dat is best vaak), kan ik bijna niet anders dan mijn aandacht richten op de constante pijn in heel mijn lichaam. 

Mijn laatste opflakkering van spierverkrampingen was de langste die ik tot nu toe al gehad heb. En hoewel ik eerlijk kan zeggen dat het niet de ergste was, heeft deze de pittigste nasleep.

Ik kijk opnieuw naar mijn scherm en wil terug verder werken, maar ik zucht. Nee, nog eventjes niet, nog even rusten. 
De laatste pijnepisode nam een groot deel van mijn fysieke vrijheid weg.
Hurken voelt alsof ik een split moet doen, koude wind brengt de boodschap van de keuze tussen heel erge voorzichtigheid (op batterijen verwarmde kledij, duizend kledinglagen, krukken in de aanslag en alertheid rond mijn manier van bewegen) of drie dagen spierverkrampingen en de trilplaat waarin ik investeerde (tegenwoordig nog mijn enige vorm van beweging) werd ondertussen ook een trigger voor pijn.

Ik duw harder op mijn nek en sluit mijn ogen, geïrriteerde wenkbrauwen naar beneden gericht.
Ik betrap mezelf op een slachtoffermoment.
"Als ik nu eens één dag geen pijn zou moeten hebben, ik zou nogal energie hebben."
"Hoezo krijg ik het lijf van een tachtig jarige?"
"Wat doe ik hier zo verkeerd? Wat mis ik toch in godsnaam?"
"Waarom is het voor een ander zo gemakkelijk om op z'n knieën te zitten terwijl dat voor mij een complete workout is?"

Mijn ogen zijn nog steeds gesloten. Ik denk aan mijn werk.
Mijn gezondheid maakte de laatste maanden zo'n felle sprong achteruit dat ik voor het eerst schrik heb voor de toekomst.
De reportages van drieëntwintig uur die ik vroeger kon dragen, kan ik me nu niet meer inbeelden. 
Ik probeer de facebookpagina terug op gang te krijgen, maar zelfs dat lijkt plots een immense berg waar ik even de moed niet voor vind om ze te beklimmen. Hoe hard ik ook blijf proberen.

Ik open mijn ogen wanneer ik mijn neerwaartse spiraal onderschep. Ik zucht, weerhou mezelf ervan om dieper te gaan maar laat de gedachten wel even bestaan. Soms doet het gewoon ook eens deugd, mokken, vloeken. 
En 't is waar, wat ik allemaal zou kunnen doen als ik energie zou hebben en pijnloos door het leven zou kunnen gaan. 
Voorzichtige, timide traantjes borrelen lichtjes en haast onzeker ergens rond mijn ogen bij die gedachten.
Jah, stel je voor, stel je voor dat dat wel in mijn toekomst ligt. Dat ze de oorzaak vinden, en dat ik mijn fysieke vrijheid kan herwinnen. Ik laat de traantjes, net als de gedachten, bestaan. Stel je voor...

Ik kijk naar het bed waar ik zo graag in zou gaan liggen.
Er in ploffen alsof ik de hike van mijn leven achter de rug heb en er dan uiteraard niet meer uit geraken.

Een nieuwe gedachte belt aan.
"Wat als dit het beste is wat het ooit nog zal zijn, en het van hieruit alleen maar slechter wordt?"
Ik trek mijn wenkbrauw op alsof er een wezentje in mijn hoofd zit die mij een slecht gevoel wil geven.
Luidop zeg ik: "Zeg, 't zal hier een beetje gaan hé."
We'll make it work, ga ik verder in mijn hoofd, tegen dat wezentje. We vinden wel iets. Dat doen we altijd.
Ik denk aan het creatieve idee dat ik al een jaar aan het uitwerken ben en ik glimlach. De uitbreiding van mijn job maar dan hélemaal anders.
Ik glimlach nog breder, word zó blij en ben zo trots op het idee. Het is een concept waar ik geen spierkracht voor nodig heb. Iets wat ik altijd zal kunnen doen, ongeacht hoe mijn lieve lichaam zich voelt.
We'll make it work, herhaal ik tegen het wezentje. Wetende dat dat wezentje mij gewoon wil voorbereiden op het ergste. Ik bedank het ervoor.
"We zijn niet alleen.", zeg ik. Ik aai het over z'n bolletje en kijk heel intentioneel met liefde naar mijn lichaam. Het lichaam dat blijkbaar veel meer moet incasseren dan de gemiddelde mens, en die het toch maar doet.
Een vlaag van dankbaarheid overvalt me opnieuw, want ze doet het toch maar, mijn lijveke. 


't Komt wel goed. Efkes mokken, efkes vloeken, en dan vooral zacht blijven. Want dat hebben we nodig op deze mooie aardbol. Zachtheid. 


(artiest onbekend <3 )


dinsdag 13 augustus 2024

Barst in het hart

 03:37...

Het zal wel weer bijna licht gaan worden buiten.

De steen in mijn maag wordt te zwaar, een zoveelste vloedgolf reist naar boven en ik moet recht gaan zitten in mijn bed om niet te verdrinken in tranen.

"Hoe ga ik hier door geraken?" Hoor ik mezelf huilend vragen in de leegte van een veel te grote kamer, mijn gezicht troostzoekend in mijn handen.

Hij vertrok rond 01:00. Het kampvuur was compleet uitgedoofd. Ik had het nog gerokken door de kleine vonkjes aan te blazen. Ik had ernaar zitten kijken met waterogen. Ik wilde niet alleen zijn met het vuur. Kampvuren wakkeren mijn gedachten aan, en op dit moment heb ik er teveel, ben ik er teveel mee alleen, vind ik geen weg meer naar evenwicht.

Ik had me op dwaze wijze voorgenomen het nooit nog te doen, liefdesverdriet. Een schamele belofte die niet te houden is. 

Ik voelde het hout van de vloer op mijn voeten terwijl ik naar boven liep. Het droeg de warmte van de dag nog. Ik besloot die warmte als troost en geborgenheid te zien terwijl ik dacht, voelde: "dit is niet hoe onze zielen het hadden afgesproken."

"Tja, misschien net wel." Het antwoord wanneer ik het deken over me trok, me inbeeldend dat het een knuffel was. 

Ik kijk voor me uit. De tranen zijn weer even op en mijn traankanaaltjes wachten op hun volgende levering. 't Is hoogseizoen.

Ik probeer diep te ademen. Merk dat er kwaadheid gemengd zit in mijn verdriet. Onmacht, wrok bijna. En ook hier oefen ik weer om niet hard te zijn voor wat ik voel en het er te laten zijn, erbij te zitten. Want in de laatste maanden is de grond vanonder mijn voeten verdwenen op alle verbindingsvlakken in mijn leven. Alles ineens, want zo gaat dat wanneer je akkoord gaat met een mentale groeispurt. 

En daar is hij plots, de oude metgezel, isolatie. 

Eenzaamheid is een beest. En net nu is mijn grote schakelpunt naar de nieuwe, gezonde patronen. In werking zetten waar ik zo belachelijk hard voor gewerkt heb. Doorvoelen, erbij blijven, uitzoeken wat ik nodig heb, mezelf in een versneld tempo een pak beter leren kennen, mezelf heruitvinden, nieuwe mensen leren kennen, oefenen in loslaten, rouwen zoals het voorbestemd is, dichter bij mezelf komen, enkel nog de mensen toelaten die écht zorgen voor mijn hart, mensen die mijn energie beantwoorden met dezelfde frequentie, mijn zelfzorg upgraden, voor mezelf kiezen, voor het verloren kind in mij zorgen en haar geven waar ze nood aan heeft, waar ze recht op heeft. Uitzoeken wat dat precies is, hoe ik haar kan bereiken.

Ik kijk nog steeds voor me uit. Mijn knieën opgetrokken en mijn armen erom heen geslagen. Ik zie water. Ik maak een mentaal papieren bootje en leg er de herinneringen in, het toekomstbeeld, het beeld van kindjes, een nestje, de ik die ik was bij hem. 

Ik leg het bootje op het water en voel angst. Angst voor verlating, voor pijn, verlies, verandering. Verandering is niet slecht, maar wat als er niets in de plaats komt? Wat als dit is hoe het voor altijd zal zijn?

De nieuwe levering tranen komt toe wanneer ik die laatste zin voor mezelf uit. Het water stijgt, ik sluit mijn ogen en laat de golf op me afkomen.

Ik weet dat ik de slaap niet zal vatten zonder neergepende woorden op mijn blog. Een onzichtbare babbel met mensen die ongetwijfeld herkenning vinden in wat ik schrijf. Neerschrijven voor mezelf is hier niet genoeg. Het kleine meisje in mij wil gehoord worden. Dus ik luister, eer haar. 

Mijn voeten raken het hout van de vloer, ik sta op en loop naar mijn laptop.

Het scherm van mijn blog begroet me als een oude vriend. Ik adem, en ik schrijf.

05:01.



dinsdag 30 april 2024

Waarom ik het niet geloof wanneer mensen zeggen dat ik sterk ben

 Ik ben nog geen vijf minuten wakker en merk hoe mijn wenkbrauwen gespannen naar beneden staan. Ik ben kwaad, voel ik. En ik weet ook meteen waarom. 

Het duurt meestal een dag voordat ik besef wat ik eigenlijk gehoord heb. En ook hier is het niet anders.

"Tineke komt uit een goed gezin, zij gaat het donker nooit aankunnen."
"De kwetsbaren zoals ik en Tineke,..."

Het is gek dat ik er op het moment zelf altijd minder problemen mee heb. En toch is het niet zo gek. Want zo'n woorden moet ik al 31 jaar horen en waren dus jaren lang mijn waarheid. En vaak zijn mensen zich er niet bewust van, bedoelen ze het niet denigrerend, maar is dat gewoon hun overtuiging.
"Tineke, geef het aan mij, ik zal het doen."
"Dat moet je niet aan Tineke vragen."
"Tineke gaat dat niet kunnen dragen, da's te zwaar."
"Tineke moet eens gewoon leren doorzetten he.."
"Allee, zelfs Tineke kan dat."

En de dag erna komt het dan echt binnen, de lading van de woorden. En elke keer opnieuw word ik kwaad, heb ik pijn. Voel ik mij ontzettend onzichtbaar, onbegrepen en draag ik het alleen.

De drang om mij dan alweer te bewijzen steekt telkens op. De fightrespons, gelijk ze zeggen. Hoe ik de sterfgevallen in mijn leven niet meer op twee handen kan tellen, hoe ik kindjes zag sterven wanneer ik voor Boven De Wolken fotografeerde en wat het met me deed (doet), hoe ik te maken kreeg met andere vormen van afscheid van dierbaren en hoe ik dat met zachtheid benaderde, hoe ik met agressie te maken kreeg, manipulatie, hoe ik echt moest vluchten uit giftige relaties. Nachtmerries, nachtterrors, flashbacks, mijn brein die de boel af en toe eens stillegt op de meest onmogelijke momenten (als in niet kunnen bewegen of praten, super handig..). Hoe ik er altijd rekening mee moest houden dat mensen andere woorden stelden dan daden, mij steunden in dingen die op me afkwamen, tot het voor hen precies toch wat groot werd en ik het toch weer alleen moest doen. Hoe ik daarop leerde anticiperen zodat het minder pijn deed wanneer puntje bij paaltje kwam. Hoe er van mij onvoorwaardelijke liefde verwacht werd, altijd. Omdat de ander altijd lijkt te weten dat ik in staat ben tot onvoorwaardelijke liefde. Ik kijk met liefde naar de mensen die schade toebrachten, naar mensen die veel obstakels mijn richting uitgooien, want ik draag de kracht om te zien hoe getormenteerd sommigen van hen zijn. Dat ook zij hun stuk niet kunnen delen met anderen. En ik zie telkens wat die exacte mensen mij leren, hoe ik mijn wortels dieper kan maken en kan blijven evolueren, veranderen, groeien.

Verdomme, ik kan zoveel vertellen. Hoe het is om dag in dag uit met chronische spierkrampen te leven, hoe frustrerend het is dat ik sommige, simpele dingen daardoor niet kan doen en welke energie het soms vergt om vanuit fysieke pijn niet bitsig te reageren op mijn omgeving. Hoe zwaar het soms is om al jaren wensmama te zijn en niet te weten of het in de kaarten ligt voor mij. Om overal kindjes te zien geboren worden in mijn dichte omgeving, om te zien hoe sommige kindjes in onze maatschappij gekwetst geraken door hun ouders en niet krijgen wat ze nodig hebben en dus een deel van hun ontwikkeling missen. Dat ik ze dat zo, zo graag wil geven. Hoe ik mij nu al voorbereid op familiefeesten om mijn verdriet en eenzame gevoel van het wensmama zijn, ook daar stilletjes te dragen terwijl ik naar die machtig mooie kindjes kijk. Hoe onzichtbaar ik mij dan ga voelen. Hoe er op dit moment zo'n 10 000 foto's klaarstaan voor selectie en nabewerking en ik op reportages moet horen "of dat nu echt zo moeilijk is om die foto's gewoon tegen morgen te versturen". Hoe verdomd moeilijk het is om als alleenstaande ooit mijn eigen plek te kunnen hebben en hoe ik een deel van de veiligheid van mijn introversie moet opgeven om die reden.

Ik weet hoeveel kracht ik nodig had in die 31 jaar. Ook als kind. Welke grote energie er nodig is om mijn zachtheid en gevoeligheid te blijven behouden in onze maatschappij, ook wanneer ik die zachtheid van anderen naar mij toe soms zo ontzettend mis en ik vooral moest horen dat ik een beetje harder moest worden.

Maar ik geloof het niet wanneer mensen zeggen dat ik sterk ben. Want ze zeggen het alleen op de momenten dat ze mij willen geruststellen, of wanneer ze denken dat ik het moet horen. Maar ze verwijzen nooit naar mij als een sterk iemand. Als ze óver mij praten, is kracht niet waar ze aan denken. Gevoelig, ja, dat mag ik altijd horen, aanvoelen. En weet je, aan de ene kan kan ik het begrijpen. Want uiterlijk zien ze mijn angst, de herinneringen in mijn ogen, mijn voorzichtigheid en argwanendheid. Wonden. Ze zien niet wat ik moest doen, welk pad ik bewandelde over al die jaren, over hoeveel grenzen ik moest gaan, welke inténse groeipijnen ik heb verdragen, hoeveel tranen er moesten vloeien in mijn eentje, hoe onzichtbaar ik mij een groot stuk van de tijd voel. Niemand ziet wat ik aan de binnenkant allemaal doe. Wat ik denk, zie, voel, slik, ombuig naar groei, hoeveel triggers ik moet counteren elke dag, in mijn eentje.

Ik weet hoe sterk ik ben ondertussen. Ik heb dat léren zien. Want jaren geloofde ik wat ze zeiden. En vaak eigenlijk nog steeds. Door de jaren heen heb ik moeten leren hoe ik mezelf die liefde kon geven, die erkenning, die zachtheid. Ik weet hoe groot mijn draagkracht is en ik durf mezelf daarin al erkennen. Al zeg ik in alle eerlijkheid, vandaag is dat moeilijker. Dus ach, wat zou het fijn zijn om het soms eens te voelen van anderen. Echt voelen. 


dinsdag 5 maart 2024

Voor het eerst in zeventien jaar

"Dus..." zegt ze. 
"Leggen we nog een afspraak vast of geef je mij een belletje mocht het nodig zijn?" 

Ik glimlach en kijk haar een beetje voorzichtig aan. 
"Denk je dat ik nog therapie nodig heb?" vraag ik vlakaf.
"Je kunt altijd verder gaan met therapie. Je kunt altijd blijven groeien en leren, dingen uitzoeken." 
De onderbouw van haar uitspraak is bijna casual. En op dat moment komt de bevestiging. Alsof ik aan het afstuderen ben. 

Weken hiervoor zat ik te dagdromen en evalueerde ik mijn traject, mijn weg, wat ik voelde. En ik kreeg een beeld van helende wondes voor ogen. Zachter wordende littekens. Schrammen die van donkerrood naar zachtroze gingen. 

Hier vandaag, bij de eerste therapeut (en ik heb er een zak gehad) die diep durfde gaan, mijn weerstand niet uit de weg ging maar mijn hand had genomen en me geleerd had hoe ik bij de wortels kon geraken en mijn angsten écht in de ogen kon kijken, kreeg ik de bevestiging dat de wondes die zeventien jaar lang mijn leven hadden gedicteerd, dicht aan het groeien waren. 
Voor het eerst in zeventien jaar, ervaar ik verandering rond mijn kern, ervaar ik wat genezing echt betekent.


De flashbacks en nachtmerries zijn er nog, maar ik kan ermee om. 


Soms stel ik nog bepaalde gedragingen uit angst, maar ze zijn niet meer vergiftigd.


Ik zoek geen schadelijke situaties meer op, en als ik door krijg dat ik me in eentje bevind, ontwikkelde ik de kracht om dat los te laten en terug te vallen op het groeiende vertrouwen in mezelf. 


Ik leerde grenzen aanvoelen en oprecht luisteren naar de signalen die mijn lichaam me geeft. Zelfs de kleintjes.

 
Ik leerde wat toxische relaties met mijn brein en lichaam hadden gedaan, en hoe ik daaruit kon groeien in plaats van daaraan willen vasthouden. 


Huilen vind ik nog eng, net als het tonen van mijn authentiek zelf. Maar de basis is er, en ook aan dat boompje groeien steeds meer takjes en blaadjes.


Ik geraak nog getriggerd, en die triggers zullen waarschijnlijk deel blijven van mijn leven. Maar ik leerde hun taal spreken. Ik leerde mezelf daarin valideren en reguleren. 


Fouten maken vind ik nog ontzettend moeilijk. Maar ondertussen kan ik die angst omzetten naar dankbaarheid voor het leiden naar het pad die voor mij bedoeld is. 


Ik kreeg opnieuw toegang tot het kleine meisje die aan haar vijf jaar stopte met groeien en zich noodgedwongen verscholen had gehouden al die jaren. En ik kon contact leggen met dat kleine ikje. 


Ik leerde om met liefde te kijken naar mensen die schade hadden aangericht, naar mensen die me niet begrijpen of naar mensen die me veroordelen. Want ook dat zijn in veel gevallen hun uiting van kwetsuur of angst.





Allemaal boompjes die geplant zijn in mijn bos. Allemaal hebben ze nog dunne stammetjes en hebben ze veel liefde, voeding en aandacht nodig. Maar de boompjes zijn geplant en het zonneke begint te schijnen. Ik ben blij met mijn bos. Dankbaar voor mijn tribe. En sinds enkele weken begin ik plezier te vinden in die zorg, begint mijn passie voor mijn job erin verweven te geraken, en wordt alles kalmer. Rustiger. Vrediger.
Stilletjes komt ze piepen, dat kleine ikje. Ik kan niet wachten om haar hand te mogen vastnemen en haar opnieuw te leren kennen. 




zondag 8 oktober 2023

Diepe zucht

 Zeldzaam en dus eenzaam is ze, mijn eenzaamheid. Maar mijn lichaam vullend met donkere wolken wanneer ze me gevonden heeft. En dan blijkt ze telkens ook nog het piekerknopje gevonden te hebben. 

Wat zou ik nu toch graag kunnen huilen. Het terug aangeleerd krijgen om te huilen wanneer ik daar nood aan heb.
Ik lig op mijn buik in mijn bed en staar een beetje voor me uit. Vandaag is zo'n dag waar ik me niet begrepen voel en dus oprecht alleen.
Lizzy, mijn katje, ziet het vonkje zonlicht dat via mijn gsmschermpje op de muur weerkaatst. Ik lach luidop, want ze geraakt zo geobsedeerd dat ze alles omver loopt, inclusief mij. 
Ik voel me vaak een heks. Je weet wel, zo'n goeie. Duizend kruidenpotjes en brouwseltjes en een zwarte kat die haar magische compagnon door en door kent. Ingespeeld op elkaars geest tot in de puntjes. 

Ik ben intriest. Ik durfde sinds lang terug connectie leggen, veiligheid toelaten en dat ook verwoorden, maar kreeg plots koude wind terug.
Ongetwijfeld door het eigen verhaal van de ander. Ik veroordeel het niet en laat alles bestaan zoals het voorbestemd is, maar heb wel verdriet.
Ik ben onrustig, want naast de voorzichtig toegelaten connectie van toen, zet ik het allerdiepste van mijn hart nu ook open voor een wondermooie ziel en wacht het kleine meisje in mij terwijl de over de jaren heen ontwikkelde angst de kans krijgt om mijn hoofd vol te proppen met grijze onzin-piekers.
Hoe mijn veranderde visie op het woord "relatie" me zal isoleren. Hoe ik de enige ben op de wereld die de dingen zo ervaart nu, hoe ik die diepe veiligheid en dus die gewortelde rust nooit ga kunnen bereiken. 

Lizzy valt uit het bed. Ze miste haar sprong richting het lichtje en zit nu een meter lager. Ze sleurt me terug naar het nu en laat me opnieuw in de lach schieten. Oprecht geluk voel ik rond haar. Zorgeloosheid en zelfs wederzijdse zorg.
Ik kus haar op haar snoet. Dankbaar, zoals altijd. Ik kijk naar het lichtje op de muur, de weerkaatste zon. Ik beeld me in hoe diezelfde zon op de muur van mijn tiny house valt. Het kleine huisje op wielen die al gebouwd is in mijn dromen en tussen de bomen staat. Met een kampvuurplaats buiten, naast de buitenkeuken en buitendouche, zwemvijver, en in volle rust, volle vrede, volle veiligheid.
Duizend procent mezelf kunnen zijn, hetgeen waar mijn ziel zo intens naar verlangt. 

Tijd om even te mokken, en dan opnieuw te vertrouwen op mezelf en de weg die ik afleg.

't Komt wel goed. En voor nu mag ik vooral niet vergeten om ook nog gewoon te leven. 



woensdag 28 juni 2023

"Tijd om eerlijk te zijn tegen jezelf."

 Zegt ze. 

Ik huil niet veel in therapie. Weinig nog in het dagelijkse leven. Doorheen uitdagende relaties ben ik dat afgeleerd.
En geloof het of niet, in therapie leer ik het weer aan.
Maar nu huil ik. Het is intens confronterend, wat ze zegt. Ze wijst me liefdevol op dingen die ik ontken, ontloop, niet onder ogen kom. Ik schrik van haar hardheid. Maar de zachtheid in haar stem schijnt het licht op de liefde die dit alles onderbouwt. Haar woorden komen binnen en passeren het omvormertje in mijn hoofd: "Je bent hypocriet, je patronen komen voort uit gemakzucht en je verstopt je alleen maar." 

Ik deel die gedachten met haar en ze nuanceert ze met al evenveel liefde. Ik voel me klein, voel diep verdriet en angst, schaamte. Want ik weet dat ik alles ga moeten omgooien wanneer ik de deur van de praktijk achter me dichttrek als ik écht wil evolueren en vooruit wil. Ik die bezig ben met de ander, en zo mijn eigen dikke schelp in stand hou. Tijd om de boel te strippen, met een grote, zware hamer stukken uit de schelp te slaan. mijn angsten recht in de ogen te kijken en erdoor te gaan, er niet omheen. En shit zeg, wat een diep dal lijkt me dat. Mijn ademhaling versnelt en mijn vuisten spannen zich op. Dit is de reden waarom ik hier ben. Dit is mijn doel hier. Leren. 


Ik kijk mijn angst voor verlies en eenzaamheid in de ogen door even afstand te nemen van iemand heel dierbaar, omdat ik voel dat het nu niets voor me kan doen, ik zo de focus écht op mijn pad moet terugtrekken, en het me anders niet lukt. Hoe bang het me ook maakt, ik doe het toch.


Ik doe mijn mentale gezondheid en waarde eer aan door nee te zeggen wanneer ik dat wil tegen mensen die iets van me vragen, hoe intens soms ook. Door eerlijk te zijn over mijn draagkracht en of ik al dan niet ruimte heb voor meer.
De angst voor veroordeling verwelkom ik hierbij ook, en kijk ik in de ogen. Hoe bang het me ook maakt, ik doe het toch. 


Ik respecteer mijn dierbare energie door minder moeite te doen om dingen uit te leggen of te verantwoorden. Ik kies er hiervoor om de angst om misbegrepen te worden of de ontvanger te zijn van kwade reacties, te omarmen. Hoe bang het me ook maakt, ik doe het toch.


Ik zeg niet alleen dat ik mezelf graag zie, maar zet mijn woorden nu ook om in actie door mijn eetpatroon om te gooien en mijn lichaam en geest te voeden met alles wat me weer tot leven brengt. Me bij elke al-dan-niet-hap af te vragen: zorg ik hierdoor voor het lichaam die zo goed voor mij zorgt? Is dit wel eerlijk tegenover mijn lichaam? Hoe bang het me ook maakt, ik doe het toch.


Ik erken mijn ziel door terug meer fysieke ruimte in te nemen. Mijn huisje op orde zetten, omdat ik het verdien om proper en geordend te leven, en ik het aan mezelf verschuldigd ben. Mijn eigen gewoontes terug aannemen, ook al lopen ze niet meer gelijk met anderen in dit huis. Hoe bang het me ook maakt, ik doe het toch.


Ik toon mijn respect naar mijn geest toe, door niet alleen maar te zeggen dat ik rust wil, maar ze te nemen. Ik ga meer naar buiten, meer wandelen, muziek luisteren die ik echt goed vind, blote voetjes op de aarde, in de zee, zonsondergangen najagen, meer mediteren, lezen, meer slapen, geen werkweken meer zonder weekends, hoe druk het ook mag zijn. Hoe bang het me ook maakt, ik doe het toch.


Ik bedank mijn dierbaren, mijn geest, lichaam en ziel door de controle los te leren laten. Mijn wil om andere mensen te laten groeien, evolueren, veranderen is niet de mijne om te hebben, dus ik geef het terug. Met liefde, zorg, en excuses.
En hierbij kies ik ervoor om zacht te zijn voor mezelf, want ik weet dat ook dat met vallen en opstaan zal zijn. Hoe bang het me ook maakt, ik doe het toch.


Ik zucht. Diep. Want naast het verkregen inzicht, kreeg ik van het leven ook net een boel uitdagingen. Dus ik kijk naar het leven, net zoals ik naar mijn angsten kijk, zucht, en glimlach vermoeid. Want dit is de reden waarom ik hier ben. Om te leren, dankbaar te zijn, en vooral van mijn leven te genieten zoals het altijd al was voorbestemd. 


(©Natalie Ruka)



zondag 14 mei 2023

Voor het eerst doet het een beetje pijn

 "Voor de mama die je graag wil zijn of niet geworden bent,..." 


De eerste zin van een zoveelste gedicht op mijn facebookfeed. Jeetje, op mijn nuchtere maag. 
Duizend foto's van kleine kinderhandjes, viergeslachten, moederdagbijeenkomsten en odes. 

Voor het eerst doet het een beetje pijn. Het niet mama zijn. Werd het iets meer dan enkel verlangen. 
Een tikje kinderlijke jaloezie is er altijd wel geweest. In mijn hart ben ik al lang mama. 
Daar knutselde ik al met mijn kindje, maakte ik pure portretten, dansten we met blote voeten in het bos samen.
Ik maakte al duizend keer eten, stond 's nachts op om de nachtmerries weg te knuffelen en over het neusje te strelen, te zingen, heel stilletjes.
In mijn hart babbelde ik al mee met andere mama's over dat het toch verdikke wel pittig is soms, maar toch ook zo rijk. In mijn hart had ik de discriminatie onder de duim. Niemand kan daar nog zeggen dat ik "niet écht weet hoe ik moet opvoeden omdat ik ze niet voelde schoppen in mijn buik. Dat ik me niet kan inbeelden hoe zwaar het is. Dat ik niet moet romantiseren." 
Ja, in mijn hart ben ik al zo lang mama. 


Pagina honderd. Yes, ik ben trots op mezelf! De online cursus rond kinderfotografie is nog niet af, maar ik kom in de buurt. Ik lijk wel duizend tips te hebben, tweeduizend oefeningen, drieduizend inzichten. 
Ik mag dan wel een hele weg afleggen in mijn leven, van twee dingen ben ik heel zelfzeker. Mijn fotografie, en mijn capaciteiten als opvoeder. Het combineren van die twee in mijn job vervult een groot deel van mijn essentie. Maar vandaag? Tja, vandaag doet het een beetje pijn. 


Zou het daar op een wolk zitten kijken naar mij? Wachtend tot papa er ook is? Is mijn pad zo uitgeschreven dat ik het alleen ga doen? Wat als er geen nestje op mij wacht? Nooit niet? 
Naast de kinderlijke jaloezie hou ik ook het handje vast van de kinderlijke fantasie. Dan kijk ik naar boven, naar de wolken, en hoop ik dat het naar me zwaait. Mijn kindje. Dat het op zijn of haar buik ligt, voetjes in de lucht, kin in de handjes en met een grote glimlach. Klaar voor onze ontmoeting. Wetende wat ik nu nog niet weet. 



In mijn hart ben ik mama, en voor het eerst doet het echt een beetje pijn. 


(©LovettaReyesCairoArt op Etsy)





woensdag 20 oktober 2021

Alsof ze nooit is weggeweest.

 Ik ga naar youtube en zoek het filmpje waar ik altijd naar zoek, en begin moedig maar traag aan mijn fotowerk. 
Lage frequentiegolven die mijn brein rustig zouden moeten maken. Ik lach een beetje.
Het is iets wat ik hiervoor ook al deed, maar wat ik nu link met de praktijk in Brugge. 
De praktijk waar twee mensen me erdoor zouden moeten helpen. Die mij er waarschijnlijk ook wel zullen door leiden. Maar nu? nu is er alleen maar paniek. Dikke paniek.
De drang om het boeltje stil te leggen, alles weer in een doosje te stoppen en het in mijn bestofte dossierkast achter in mijn hoofd te proppen. Weg.


Mijn jarenlange spierproblemen blijken, voor zover ik het kan snappen toch, psychosomatisch te zijn. Een reactie op alles wat ik ervaren heb, en nu ervaar.
Ik die het letterlijk vasthou. 
Hij stelt me voor om eens naar zijn collega te gaan, hierboven. En zo wordt een samenwerking in gang gezet, wij drie. Wekelijks naar die, nu nog voor mij enge, praktijk in Brugge.
En hoewel hij dat al deed en dat voor mij al vrij intens was met momenten, ging ook zij recht naar de kern. Mijn kern. Mijn kern die nu al een aantal weken open ligt. De kern waar niemand ooit aan mocht komen, in heel mijn leven niet. De kern die zo broos is dat als je ernaar blaast, ze als een witte wensbloem uit elkaar zweeft.

Twee jaar geleden besloot ik mijn angst, depressie, en alles wat daaraan vast hing in een beter verteerbaar beeld te gieten. Mijn wolf.
Onzijdig. Niet mannelijk, niet vrouwelijk. Maar wel een wolf. Soms de gestalte van een echte, soms de gestalte van een heelal.
De ziel van een zwart gat. 
Soms was het tegen mij, en soms stond het naast mij, achter mij, grollend naar hetgeen die mij op dat moment bedreigde.
Ik had het een hele tijd bij mij. De gestalte van een gewone, echte, rustige wolf. Deel van mij, mijn compagnon.
Maar man, wat grolt het nu. Wat is het groot. Wat is het eng. Maar het staat achter mij. Ik klein, de wolf groot. 

Mijn week hing tot nu toe samen met volgens wat ik erover gelezen had: angstaanvallen, hartkloppingen en conversieblokkades. Ik kroop er om 19u in om om 23u30 een rusteloze slaap in gezogen te worden en nog vermoeider wakker te worden de volgende ochtend, kwaad op mijn wekker die maar bleef kwaken dat de maatschappij niet zou wachten op mij. Sinds zondagavond duw ik B. weg. De persoon die mij tot nu toe net zo dicht heeft bijgestaan, het geduld van een engel had.
En toch leek ik zelfs hem niet meer te kunnen toelaten. Ik kon het plots niet meer kanaliseren, en werd ineens heel klein, heel alleen, en heel onrustig. Daar was ze, hij, het. Mijn wolf. 





Ik leg mijn handen op de wangen van het kind die mij van beneden met grote ogen aankijkt. Blij om mij te zien. Blij dat ze naar Stekelbees mag komen. De opvang waar ik werk. Ze vertelt honderduit over haar dag op school en over wat ze allemaal wil doen nu ik er ben. Ik glimlach oprecht en geniet van zij die haar gezicht tegen mijn buik duwt. Ik verleg mijn handen naar haar hoofd en druk haar tegen mij aan. De verbinding die haar zonder woorden vertelt dat ik haar bescherm en dat ze veilig is bij mij. Ik wil haar huilend vertellen hoe belangrijk dat op dit moment voor mij is. Haar onschuld, haar onbezorgdheid, haar vertrouwen in mij. Haar oprecht, onbezoedeld vertrouwen in mij. 
Op dit moment houden de kinderen in Stekelbees mij recht. Bij hen hoef ik niet bang te zijn voor de volgende ontmoeting. Daar breek ik niet. Daar is het doosje waar mijn broze kern in zit veilig en gesloten. Daar maak ik mezelf wie ik voor iedereen wil zijn. Zonder dat er vragen worden gesteld. Zonder dat ik confronterende gedachten door moet. Daar hang ik onder verf, knuffel ik, lees ik verhalen voor en geniet ik van de groei van anderen. Daar moet ik zelf even niet groeien. 

Ik haat hoeveel ik het woord "angst" en "bang" gebruik, hier en nu. Maar weet je, het is wat het is. Ik ben even heel bang. Bang dat iets kapot is, en dat het niet hersteld zal worden. Bang dat het gebrokene alleen nog maar meer zal breken. Maar ik kan niet meer doen dan afwachten en zien waar dit verhaal me brengt. Ik denk dat ik erdoor moet. 

Misschien moet ik nu maar even kind zijn, en dat kind vooral kind laten zijn. En misschien moet de volwassen ik maar even op de zijlijn gaan zitten, en vertrouwen op het feit dat dit moet om dat kind te laten groeien. Ik hoop dat ze zich snel veilig gaat voelen. Want ik wil hier even vertellen, in dit hoekje van het internet, dat het even heel erg zwaar is. Voor mijn kind en ik. 

(Artiest: Roiuky)


vrijdag 13 augustus 2021

Wanneer de zee te diep wordt

 


Het lukt je nooit. Al die grote plannen, wat denk je nu, dat je daarin zal slagen? Jij, alleen? Dat het succes zal hebben? Hij moet je niet. Nee, die andere ook niet. Je vrienden missen je niet. Ze vinden je maar raar. Maar echt, raar. 


Ik kijk naar het plafond. Ik zucht. Ik ben doodmoe. Ben er om 20.00u in gekropen.
De eerste werkdag na de collectieve sluit in de opvang, and it hits like a rock. Recht in mijn gezicht. 
Komt het door de drukte vandaag? Waarom kan ik niet meer om met de overvloed aan prikkels? De kinderen op mijn werk, roepen ze echt luider dan anders, of ben ik het? Ligt het aan mij? Waarom hebben mijn collega's er geen last van? Waarom gaat mijn blik op oneindig terwijl ik het zelf pas later door krijg? kan ik niets meer dragen? Vroeger kon ik drie dubbel zoveel dragen. Waarom krijg ik dat niet terug? Het is nu al twee jaar geleden. Waar is de kracht die ik toen had?
Ik draai me op mijn zij. Ik lig hier nu al drie uur wortel te schieten. Ik ben nog steeds doodmoe. 
Ik begin mijn gezicht te strelen. Iets wat ik al een hele tijd mis. Mijn gezicht die gestreeld wordt. De rust die het me brengt. 
De liefdestaal die aanraking heet. Tot iemand anders het doet, dan gaat dat muurtje weer op. Stilletjes. Ik ga recht zitten, begin een beetje te wiebelen. 

Ik voel hem opkomen, een aanval van pure overweldiging.
Ik gebruik het woord "aanval" nog niet zo lang omdat ik het bleef minimaliseren. Tot mijn vriendin, die er ook mee worstelt, me bevestigde in mijn beschrijving van de gevoelens. Anxiety? Een woord die geen nederlandse vertaling heeft. En het stoort me mateloos. 
Sinds ik de schrijfsels uit een van mijn relaties had teruggevonden kreeg ik vreselijke flashbacks. Dingen die ik verdrongen had, dingen die er zwaar over zijn, die écht niet oké zijn. Dingen die mij op vandaag nog verwonden, alsof ik er opnieuw doorga. 
Ik krijg er weer een. Ik ben waardeloos. Ik mag blij zijn als er iemand ook maar doét alsof hij of zij me graag ziet. Daar moet ik het echt maar mee doen. Meer krijg ik niet. Op meer heb ik geen recht. 
Ik ben een ondankbaar wicht. Waarom zou ik meer verwachten? Een gezonde relatie is niet voor mij weggelegd. Ik mag dromen. Zo was het al altijd. 

Ik ga terug liggen en  kijk opnieuw naar het plafond. Ik besef, met dank aan therapie, dat die gedachten louter en alleen gedachten zijn. Dingen die me zijn ingeprent door mensen die het niet goed met me voorhebben. Mensen die zich voedden aan mijn energie tot in het giftige oneindige. Tot zij van me wonnen. Ik vertel mezelf dat luidop. Alsof het dan beter doordringt. 

Mijn ademhaling verzwaart. Mijn wenkbrauwen beginnen zich te fronsen, alsof ik boos kijk.
Dat gebeurt automatisch, merk ik, wanneer ik dieper in gedachten ga. Wanneer ik op een punt kom waar ik er moeilijker uit geraak.
Nu versnelt mijn ademhaling. 
Mijn brein gaat zo ongelofelijk met mij aan de haal dat ik het niet kan bijhouden. Ik zoek krampachtig naar een uitknop. 



Ik spring uit bed en neem mijn laptop. Ik gebruik "slaapmuziek" als zoekterm en steek oortjes in. Ik let op mijn ademhaling en luister naar de stem die mij in slaap probeert te praten. Ik luister maar half. Het lukt me niet. De woorden botsen tegen mijn oren. Ze zitten te vol met andere dingen. 

Je collega's moeten je niet. Ze doen alleen maar vriendelijk in je gezicht. Ze roddelen over je. Je doet je job niet goed. De ouders kijken op je neer. Jij zal nooit iemand vinden. Er zal altijd iets zijn. Je zult niet voldoen, dat is nu toch wel al lang gebleken. Mama? Nee, jij zult geen mama worden. 

Het gevoel in mijn borst wordt te zwaar en ik begin te huilen. Ik ben blij. Huilen is de voorlaatste golf. Ik ben er bijna door.
Ik ga opnieuw recht zitten en wieg mezelf. Ik besef dat ze langer worden, intenser. Dat ik dieper ga. Ik weet ook dat ik er telkens uit geraak. Ik focus me keihard op het feit dat ik er telkens uit geraak. Ik wieg mezelf heftiger. Ik pruts aan mijn huid, maak wondjes, zoek de afleiding daarin. 

Het duurt te lang. Ik kijk naar mijn gsm, twijfel. Zou ik naar hem sturen? Ik ken hem nu al een paar maanden. Hij heeft me nog nooit laten zitten. 
Wacht maar, dat komt nog. 
Nee, het is te laat. Straks slaapt hij al. Ik probeer het alleen. Wie ben ik om zomaar een gat in de nacht naar hem te sturen? Alsof ik in nood zit. 
Ik beeld me in dat hij zijn handen in de mijne legt. Zonder meer. Enkel dat. En dat ik daar oké mee ben. Dat ik troost vind. De optie is er. Nee, hij zal morgen toch moeten werken. 
Maar wat als hij nu niet moet werken? Ik probeer het zelf. Ik kan het alleen. Ik doe het al altijd alleen.

Het duurt te lang. Ik ga met mijn duim over mijn neusbrug. Ik blijf erover strelen in een poging mezelf te kalmeren. Het lukt me niet. Ik kijk opnieuw naar mijn gsm. Ik grijp hem vast.
Hij zal morgen moeten werken, aanvaard op voorhand dat hij niet zal komen en dat je het alleen zult moeten doen. Oké.

"Moet je morgen vroeg op?" stuur ik hem. Even hoor ik niets. Hij slaapt al, hij heeft hier eigenlijk geen zin in, is bezig met iets. Het is mijn probleem.
Ik huil nog meer. Ik geraak er niet uit. 
Ik krijg antwoord. Het zal moeilijk gaan, hij moet er morgen vroeg uit. Hij wil afkomen als het echt nodig is. 
Nodig? Tuurlijk is het niet nodig. Je piekert een beetje, moet je daarvoor nu echt iemand zijn bed uit bellen? 
Ik ga met mijn rug tegen de muur zitten en rol het zwaartedeken die ik kocht voor momenten zoals deze op in een bol.
Ik leg de volle negen kilo op mijn buik. De illusie dat er iemand op mij ligt te rusten brengt me in alle gekheid op een stokje verlichting.
Ook al wil ik diegene zijn die getroost wordt.
Ik pak het knuffelkonijn die op mijn bed ligt sinds mijn geboorte en leg die onder mijn kin. Opnieuw de illusie van een knuffel. Oortjes met slaapmuziek in mijn oren, en gesnik die diep uit mijn borst komt. 


En zo blijf ik zitten. Een uur lang. 
Ik voel mezelf in de laatste fase glijden. Eindelijk.
Ik staar voor me uit. Rust op één punt, uitgeput, heel even doodongelukkig. En dan niets meer. Mijn hoofd wordt mistig en ik doe helemaal niets meer.
Ik wieg niet meer, ik hoor de muziek niet meer. Ik huil niet meer. Ik adem alleen nog. Ik zet de tijd stil en blijf waar ik ben in heel mijn zijn.
Ik ben kapot. De gedachten waren met zoveel dat het een zwarte massa werd. En zo gaat het altijd.
Het wordt teveel, het wordt een massa, één kleur, één vlek, en daar vind ik de rust. Eindelijk. 

Ik droog mijn tranen en zucht intens diep. Ik ben er. 


Mijn hoofdkussen roept me. in sereniteit leg ik mijn hoofd, blij dat ik moe genoeg ben nu. Dat mijn ogen zwaar zijn. 
"Ik ben veilig." zeg ik luidop. "Ik ben oké." Ik zucht. "Ik ben veilig." zeg ik opnieuw. "Ik ben thuis." 






zondag 4 juli 2021

Heb mij lief, maar alleen als je het meent

En dan zal ik jou geven wat je nodig hebt.

 
Ik hang weer vol met verf. Het is mijn vlucht tegenwoordig.
Nee, wacht. Het is mijn gezonde tegengewicht. 
Ik dans als een idioot op het pareltje van Jeremy Loops en jongleer tussen het stilhouden van mijn penseel en het beantwoorden van zijn berichten. 
De muziek hielp me blijkbaar op weg om de antwoorden te geven die ik moest geven. Want ze zijn krachtiger dan anders. 

Weer een match. 
Ik raap alle gesprekken uit therapie bijeen, maak mezelf zo groot en waardig als ik echt ben, en vraag rechtuit hoe het nu eigenlijk zit. 
Ik trek mijn grens dapper. Dapperder dan ik ooit geweest ben. En ik ben belachelijk trots op mezelf. Ik ben gegroeid, alweer. En dat enkel en alleen omdat ik eraan werk. Keihard. 

Geen antwoord meer op mijn laatste bericht. Iets wat ik verwachtte, maar niet kwaad om ben. Begrip voor heb. Want ik heb een diep gesprek gehad met mezelf, en mezelf gevraagd wat IK wil. Waar IK wil staan binnen een paar jaar. Wat IK wil bereiken.
Ik wil wijs worden. En dat word je niet door wrok en haat te koesteren voor anderen. Alleen maar liefde. 

Ik denk aan gisteren terwijl ik mijn penseel uitspoel en vul met nieuwe verf. Gisteren heb ik zelf iemand moeten kwetsen. Iemand onwijs leuk. Iemand waar ik een oprechte connectie mee heb. En iemand die ik heb moeten afwijzen om opnieuw, zoals altijd, mezelf te beschermen. En opnieuw ben ik trots op mezelf. Groei. Ik kies vanaf nu zelf voor gezonde relaties. Het is een schakelpunt waar ik nu al een paar maanden in zit, en waar ik eindelijk door geraak. 

Gisteren heb ik gehuild. Ik was alleen, weer eenzaam, wilde liefde. Dat, en het feit dat ik de mensen waar ik naar toe getrokken word moet weg houden uit belang van mijn welzijn. Het is godverdomme moeilijk. Maar ik kan het. Ik heb het geleerd en ik mag trots zijn op mezelf. 




Heb mij lief, maar alleen als je het meent. 
Zoek mij op als je weet wat je wil, als je weet waar je staat.
Als je jezelf toelaat van jezelf echt te kennen en ermee aan de slag te gaan.
Ik laat je toe als ik voel dat je het meent, als ik voel dat je denkt dat ik het
waard ben, als je toont dat ik het waard ben. Als je weet dat jij het waard bent.


Ik weet wat ik wil. Ik wil iemand die het weet. Ik wil iemand
die een partner in crime wordt. Ik wil liefde, oprechte, échte
liefde. Ik wil vrijheid. Ik wil leven. Ik wil connectie en ik wil
lachen. Ik wil met je leren, met je vallen, met je vechten en er
daarna om lachen. Ik wil knuffels. lange, diepe, betekenisvolle knuffels. 
Ik wil met je opstaan. Ik wil je dragen, en ik wil
gedragen worden als dat nodig is. Ik wil je je vrijheid geven in
alle, alle, alle opzichten. En ik wil respect. In beide richtingen. 
Ik wil oprechte, respectvolle, open communicatie.
Ik wil je door je haren strelen omdat ik weet dat je daar rustig
van wordt en het je energie geeft.
Ik wil dat het niet perfect is. Ik wil dat we moeten zoeken, en dat
we samen willen zoeken. 
Ik wil op je schilderen, gewoon omdat het kan. Ik wil 's nachts
gaan zwemmen in een meer. Ik wil dansen. Ik wil vertrekken
zonder te weten waar ik uit ga komen, samen met jou. Ik wil met
jou in pyjama buiten lopen, met jou omdat ik het alleen niet zou
durven. Ik wil fords bouwen met kerstlichtjes. 
Ik wil gaan zoeken naar het noorderlicht, ik wil vuurvliegjes zien, 
ik wil in plassen springen en daarna warme chocomelk drinken. 
Ik wil herinneringen maken die mijn ziel voeden.
Ik wil het kind in mij vertellen dat ik dat kan. Met of zonder
iemand anders. Ik heb maar honderd jaar hier, met een beetje
geluk. En negenentwintig daarvan zijn al voorbij.
Ik zit over een vierde. Nog zeventig te gaan, met
dat beetje geluk. En anders morgen. Wie weet. 

Ik weet wat ik wil, en dat maakt mij plots heel sterk. 
Vanavond huil ik weer, want mijn lichaam heeft honger, mijn ego
wil bevestiging en mijn ziel wil energie. 
En ik ga dat gewoon laten bestaan.

Want ik heb mezelf lief, en ik meen het.


donderdag 3 juni 2021

De brief

 Ze is druk bezig met haar plantjes. Aarde aan haar vingers, tuinkleren aan. Mijn mama. 
Ik sta aan het poortje van de moestuin. Zij en papa hebben 'm helemaal zelf in elkaar gestoken. De werkbank, de moestuinbakken, de wand van bamboestokken. Klein paradijsje. 

Ik kijk haar met vijveroogjes aan en glimlach even. Klein. Ze komt naar me toe gelopen en omarmt me.
    'Heeft hij geantwoord?' vraagt de stem naast mijn oor. Ik knik en begin te huilen.
    'En?' Ik voel dat ze het eigenlijk niet durft vragen. Ik schud mijn hoofd en huil intenser nu. 




Ooit had ik nog zo'n liefde gekend. In het lager, doorlopend naar het middelbaar. Tienerliefde, en toch...  Mijn eerste grote liefde die altijd onbeantwoord is gebleven.
Maar ken je het? Het grote gevoel? Dat echte?
Mama benoemt het.
    ' 't Is weer een Briekliefde he.' Ze glimlacht zoals alleen moeders dat kunnen. Ik zeg haar dat ze het niet beter had kunnen verwoorden.
Ja, zo'n grote liefde waarvan je denkt, "dju, dit zou het wel eens kunnen zijn."
En dan ga je hopen, want voor het eerst in altijd, voelde het veilig. Leek het intens oprecht. 

Op mijn zolderkamer, gevuld met onweergeluid, de geur van regen en geurkaarsen, ben ik aan het schrijven geslagen. Eindelijk. Dat had ik twee jaar geleden al moeten doen. 
En vandaag kreeg ik mijn antwoord. Respectvol, zoekend, duidelijk een beetje gevangen in een moeilijke positie.
Was het maar een idioot geweest, misschien was het dan gemakkelijker. 

Ik had de woorden gelezen alsof ze me vertelden dat ik net een dierbare verloren was. 

Ik wrijf de traanmist van voor mijn ogen en zoek de rationele kant op. 
Eerlijkheid, dat siert hem. Het zal dan toch niet mijn persoon zijn. Ik heb iemand nodig die zeker is, ervoor gaat, die weet wat hij wil.
Goed, oké, misschien is hij het niet. 
De mist is terug. Ik zie weer maar half. Mijn wangen worden weer warm van het zoute vocht. 
Jaja, ik weet het. De reden zal gegrond zijn, maar verdomme, wat doet dit pijn. 

In een impuls word ik een tikkeltje kwaad. We bleven matchen op die vervloekte dating apps, en de gemixte signalen waren er echt wel.
Daarna vervloek ik diegenen die ervoor hadden gezorgd dat ik niet meer van dag één kan vertrouwen. Zij die ervoor hadden gezorgd dat mijn brein mij op de vlucht stuurt, van zodra iemand te dicht komt. 
En dan stop ik. Ik zucht. Nee, weet je wat, ik verdien evenveel kansen als ik geef. En ik geef er een zak. 
Ook ik mag proberen, vallen, groeien. 

We zijn rond de vuurkorf gaan zitten. Beiden zitten we een beetje doorgezakt. 
    'Mag ik terug in je buik kruipen?' vraag ik doodserieus. We schieten allebei in de lach. ' 't Was daar precies beter.' lach ik door mijn gehuil heen. Grapjes maken alles lichter. En zeker bij ons. 
We lachen, en ik begin weer te huilen. En dan weer te lachen, want wat een zicht is dit ook. Moeten we nu lachen of huilen? 
Ik kijk haar dankbaar aan. Met mijn gat in de boter, hierzo. 




Ik draai mijn mindset om. Nu weet ik het tenminste. En nu kan ik door. Eerst eens goed bleiten, of meer dan eens, en dan gaan. Leven, leren, liefhebben. Mijn roman afwerken, mijn fotografie een zwier geven, mijn buitenstudio bouwen, mijn webshop starten en mijn tiny house bouwen. 

Ik zucht opnieuw. Ja jongens, dit doet pijn, maar niets wat ik niet kan. 


(fotograaf onbekend)


vrijdag 16 april 2021

"Vanavond mag je een beetje wegkruipen."

 Wanneer mijn longen me geen volle toegang meer verlenen weet ik dat ik angstig ben. Overweldigd. 

Ik sla de deur van mijn auto net dicht wanneer een camionette naast me stopt en de bestuurder naar me zwaait. De man ken ik nu als mijn huisbaas.
Ik leerde hem recent kennen bij de opzeg van de huur van mijn nestje. 

Ik had hem vorige week met een bang hart, en vooral veel respect, een mail gestuurd met de mededeling dat corona mijn inkomen nu al een jaar halveerde en dat ik het huisje zou moeten verlaten. 

Hij doet me een voorstel waar we beiden iets aan hebben en dankbaar ga ik akkoord. Sinds vandaag weet ik dat ik dit huis nog twee weken het mijne kan noemen, en dat ik het dan in leegte moet achterlaten. 
Meubels moeten plots snel verkocht geraken, afspraken moeten gemaakt worden, onbekende mensen moeten opgebeld worden, controles moeten worden uitgevoerd en in die twee weken tijd moet ik ineens heel snel afscheid nemen van een plek die mijn veilige haven was, vier jaar lang. 
Vriendelijke man, de huisbaas. Hij vindt het jammer dat ik vertrek. Ik ook. Ik vloek de hele dag door. Moet me mentaal voorbereiden. 

Ik passeer langs mijn ouders om hun hulp te vragen, dingen met hen te overleggen. 
Bij aankomst zet ik mijn mondmasker op en raak ik per gewoonte de klink niet aan. Ik betreed mijn ouderlijk huis als volwassene die haar leven dapper per hoofdstuk verandert. 
Ik vertrek even achtentwintigjarig, maar met een hart van zeven. Onverwacht een beetje zoekend naar een soort troost, geruststelling. Iemand die zegt dat het echt wel helemaal goed komt. 



Het is middag. Ik ben al van hier naar daar gevlogen vandaag. Misschien is dat goed, want mijn geest lijkt uit mijn lijf te willen breken. 
Ik verlaat haast huilend de praktijk van mijn psycholoog. Uitgerekend vandaag besloot ik een diepgeworteld gevecht bij mezelf aan te pakken.  
Ik betrap mezelf erop dat het veel dieper zit dan ik dacht wanneer ik mijn ouders afsnauw, onderweg naar mijn nichtje, die net haar dochtertje ter wereld heeft gebracht. 
Prachtig kindje, prachtig gezinnetje. En opnieuw, voor de derde keer vandaag, geraak ik overweldigd en verdrink ik in zelfgevecht. 

"Vanavond mag je een beetje wegkruipen." Een berichtje van mijn beste vriendin. Ik glimlach door mijn traantjes heen. Topwijf.
Ze stelt me gerust en zegt dat het best oké is om vanavond even te laten gebeuren.
Misschien moet ik dat ook gewoon maar doen. Een potje janken, eventjes bang zijn, en vooral eventjes snakken naar oprechte troost van iemand die me graag ziet. 
Alles oprecht, alles veilig. 

Morgen vlieg ik erin. Ik kan dit. En man, wat ga ik groeien. 



 



woensdag 3 februari 2021

De dossierkast

 Ik denk niet dat ik harder kan knijpen. 

Alsof het kussen mij het onrecht van de wereld heeft aangedaan knijp ik alle lucht eruit. Ik smeek het om mij terug te knuffelen. 
Ik laat mijn tranen vallen op de wollen hoes en beeld me in dat die warmte de warmte van een ander lichaam is. 
Het is een honger die je niet stilt met eten. 

Ik ben de racende gedachten hijgend uit het oog verloren en geef het op voor vanavond. 
Kwaad, verdrietig, klein, onwaardig. Dat zijn de veel te bekende gevoelens die mij niet lossen. 
Ik verwijt mezelf dat ik me te comfortabel heb gevoeld, dat het te goed ging. Dat het nooit té goed mag gaan. 
Ik huil nog een beetje meer. Morgen zal het zelfmedelijden geleken hebben, maar nu zijn ze rauw, de tranen. Ze stoppen niet en ik laat ze toe.
Dat is het enige dat ik kan doen om mezelf te troosten en mezelf moe genoeg te krijgen om zonder al te veel donkere wolken de slaap in te vallen. 


Mijn knuffelcontact is iemand uit mijn kinderlijk verleden die op het juiste moment kwam piepen. 
Wat voor mij beangstigend snel leek, werden we close en besloten we elkaar toe te laten in wat we nu een normaliteit beginnen vinden: de bubbel. 
Ik word terug gezogen naar het gevoel die ik had toen ik onverwacht terug de auto in stapte. 
Ik die mij trachtte zo normaal mogelijk te gedragen met hier en daar een luchtig woord in een poging mijn gekwetste zieltje niet té veel te tonen. 
Ik wist dat ik faliekant gefaald had aangezien de tranen er van bij het begin al bij waren en we elkaar écht goed hebben leren kennen omdat we tegen onze natuur in niemand anders dan elkaar hadden om op terug te vallen.  
Op dat eigenste moment had ik ook een trots moment. Want hoewel ik in voorgaande gelijkende situaties de gebeurtenis minimaliseerde en liet blijken dat "ik het maar was dus dat het echt wel oké was", kon ik nu een blijk geven van zelfrespect. Als het niet oké is, dan is dat niet oké en dan heb ik het recht om mezelf naar waarde te schatten. Een minuscuul moment was het, maar het was iets dat ik kon meenemen.
Later, als ik een beetje sterker in mijn schoenen stond, zou ik voor mezelf proberen opkomen zonder dat ik het respect naar hem toe zou verliezen of hem zelf klein zou maken. 

De warmte van mijn traan is al verdampt. Geen illusie meer van lichaamswarmte. Geen borst om mijn oor op te laten rusten.
Het kussen gaat niet op en neer, ik hoor geen hart. Als een vloedgolf komt de tweede tranenval. 
Ik heb zin om letterlijk met mijn ogen te liggen draaien als ik terugdenk aan de woorden van mijn psycholoog: "Automatische gedachten". 
De gedachten waarmee ik mezelf al knockout sla zodat de ander het niet meer moet doen. 
De gedachte dat iedereen mij laat vallen als er iets beters op hun pad komt. Dat ze me snel beu zullen zijn. Dat het niet té goed mag gaan, omdat er anders een ander in het spel komt, een ex terugkeert, ik "toch dat niet ben" of het "aan mij ligt, niet aan jou." De automatische reactie om mijn hoofd steevast met overtuiging te schudden wanneer iemand zegt dat ik mooi ben. 
Die gedachten hou ik ten alle tijde in een stoffige dossierkast achteraan in mijn hoofd. Op die manier kan ik mezelf al klein maken zodat de ander het niet meer moet doen. Als ik het zelf doe doet het minder pijn. Dan heb ik de controle en ben ik veilig. 

Strontvervelend is het, die kast. Maar veel te gemakkelijk om erin te rommelen.
Voor elke gebeurtenis heb ik een ander dossiertje. Een volautomatische reactie, voortstammend uit patronen die telkens opnieuw gebeurden in het verleden, klaar om als schild naar voor te schieten.
't Is vals, want ze zijn niet echt, en ze weerhouden me ervan om te vertrouwen in dingen op te bouwen met andere mensen.

Ik schiet gillend wakker. Het licht is mijn kamerraam al binnengevallen en ik vloek omdat ik denk dat ik te laat zal zijn op mijn werk. 
't Is zondag, ik moet helemaal niet werken. 
Het was een onrustige nacht vol nachtmerries en ik word vermoeider wakker dan toen ik ging slapen. 
Vanavond bezoek ik met de nodige veilige maatregelen mijn ouders dus ik besluit om vandaag te wijten aan voor mezelf zorgen.
Wenen als het moet, onder mijn dekentje kruipen en mij vooral niet te veel aantrekken van wat de wereld van mij verwacht. 
Vandaag moet ik mezelf een beetje redden. 
Ik kijk naar oma's foto. Ik had haar de avond voordien gesmeekt om me te bezoeken in mijn droom. Ze had het niet gedaan, en eigenlijk maar goed ook. Ik denk dat ik er niet goed van zou geweest zijn. 
Ik mis haar elke minuut van elke dag. Ik weet dat zij zich vaak ook zo voelde. 
Huidhonger, gemis, een verlangen naar iets wat je niet kunt krijgen. Voor ik me te eenzaam ga voelen wend ik mijn blik van haar af. 
De dag sluit zoals ze openging en ik laat de tijd zijn ding doen. 
Mama pakt me vast die avond. Ik schrik, want we zijn enorm voorzichtig. Alsof mijn lichaam dat zelf al lang had beslist hou ik abrupt mijn adem in in de gedachtegang dat ik haar zo meer zou beschermen. Ook papa neemt me vast en ik word overgoten met dankbaarheid. Ik glimlach en wil het moment zo lang mogelijk vasthouden. Wat voor ons vroeger soms minutenlang kon duren, duurt nu een paar seconden. Maar bij het loslaten voel ik een donker gewicht met die beweging meegaan. Weg. Goed voor de hele avond. 


Dagen passeren en ik babbel diep met mijn knuffelcontact. Ik verwijt mezelf dat ik niet voor hem kan zorgen omdat ik zelf een beetje moest vechten. Die gedachte wordt gevolgd door het besef dat ik het moet afleren om de verhalen van anderen als de mijne te zien. Ik vertel mezelf dat ik naast de ander kan staan, maar dat ze het zelf moeten doen. Die belofte aan mezelf hou ik vast, dat is een hele belangrijke. Als ik die belofte niet hou, verdrink ik. En dat doe ik niet meer. Vorig jaar was de laatste keer. 

Bijna een week passeerde er ondertussen. Opnieuw ben ik voor mezelf een beetje omhoog geklommen.
Ik doneer het grootste deel van mijn spullen en steek de rest in dozen, klaar voor de verhuis. Klaar voor belachelijk veel nieuwe hoofdstukken bijeen. Allemaal gepland, allemaal met de intentie om mijn leven beter te maken, om alleen te kunnen leven en compleet onafhankelijk te zijn. 

De emotieschommelingen zijn een gevolg van de breuk vorig jaar en de depressie die daarop volgde.
Maar ik zie verbetering. Ik word sneller terug veerkrachtig en ik ben daar ongelofelijk trots op.  

De mensen zijn donker op dit moment. Papa vertelt me dat dat eigen is aan pandemieën. De protesten, de zure smaak van woorden,
het verdrinken van empathie en de opmars van egoïsme en wijzende vingers.
Ik neem zijn woorden mee en steek ze in mijn andere dossierkast. Daar achteraan in mijn hoofd. Ik besluit ook die bij te houden.
Om te kunnen relativeren wanneer dat nodig is. 
De mensen zijn donker, maar dat zal passeren. De pandemie zal zoals alle andere krimpen tot een griepvariant en zoals de babyscheutjes in de australische bossen zullen ook wij weer kunnen hergroeien. 
De dagdagelijkse energie die zich bront vanuit knuffels, aanraking en affectie heeft zware klappen gekregen. Ik heb alle dagen honger. 

Maar dat komt goed. Het is een feit dat het goed komt. En de trieste tranen zullen blije worden als ik de wind onder mijn kleren zal voelen wanneer ik met anderen zal dansen op muziek die mijn ziel terug zal voeden. 


(foto: Lorin Renodeyn)


woensdag 23 december 2020

Duizend brieven

 Lieve oma,


Duizend brieven schrijf ik jou in mijn hoofd. 


De verbondenheid in de familie was groot vandaag. We staken helemaal zelf jouw afscheidsdienst in elkaar en voerden die zonder enige onbekende die alles "aan mekaar praatte" voor elkaar uit. 
Papa zong voor jou, naar jou. Net zoals hij droegen nonkel Rudi en mama alles op de liefde van muziek.

Ik denk dat je niet half beseft hoe belangrijk je bent voor ons. 
De voorbije dagen waren diepzwart. Ik sleepte mij naar mijn werk waar ik mijn verstand op nul moest zetten op alle vlakken. Het was echt overleven. 
Ik kwam huilend toe en kon niet meer stoppen. Ik moest naar buiten gaan en je vragen om mij de kracht te geven om de dag door te komen.
Ik hoorde je zeggen wat je echt zou gezegd hebben tegen mij.

"Ademen meistje, gewoon ademen. Je moet er door. Je bent veel sterker dan je denkt hoor, dat gaat wel lukken."
En ik die daar als een rare sta te knikken. Alsof ik voel dat je ze écht tegen me zegt. Ik voél dat je ze echt tegen me zegt.

Nooit voelde ik iemands ziel zo dicht bij mij. Ik spreek mij nooit uit over leven na de dood, reïncarnatie, zielen die blijven hangen of als geest terugkeren. Ik spreek er niks over uit omdat ik er niets over weet. Maar waarom voel ik jou dan nu zo sterk? Alsof jouw ziel een deeltje van de mijne werd. Kan dat? Beeld ik mij dat in? Maar waarom dan alleen bij jou? Waarom voelt alles wat de "mens en maatschappij" inhoudt nu ineens veel miniemer? Waarom ben ik nu ineens veel meer "heelal gericht", alsof je jouw levenservaring in mij overgoot? Waarom voel ik jou zo intens? 

De kerstdagen zullen anders zijn, maar hoewel iedereen maar blijft zeuren zal dit volgens mij een hele mooie zijn. Met jouw kaarsje bij mij, naast mij. Het kaarsje die ik van jou kreeg en die ik moest branden als ik jou miste wanneer ik eenzaam was.
Niet wetende dat ik hem tijdens die zware weken non stop zou branden. 

De dag van jouw vertrek zou de kaars zijn opgebrand. Bewust liet ik een beetje over. Morgen brand ik hem op, op kerstmis. Alsof het zo moet zijn. 

Duizend brieven wil ik jou nog schrijven. Ik wil je vastnemen, je hand terug voelen in de mijne.
Ik wil jou nog om zoveel raad vragen en jouw ogen zien glinsteren, je lach horen en dom doen met jou. 

Je zult me door de komende weken loodsen, want dat deed je nu ook al non stop.

Och, lieve oma. Ik beloof jou dat ik mij ga vrijvechten. Ik beloof jou dat ik het leven voor mezelf ga uitstippelen die ik wil. Ik beloof jou dat ik niet meer voor anderen ga leven in de mate dat ik dat vroeger wel deed. Ik beloof jou dat ik zal groeien, voor mezelf zal opkomen. Ik beloof jou om intens te leven en mijn leven enkel nog zoal verrijken met mensen die mijn ziel voeden. 
Ik heb jou alles gezegd, en toch. Ik wil ze nog eens zeggen. Ik wil ze meer zeggen. 



Vrouwmens, ik zie jou doodgraag. Ik kijk naar je op en ik heb ongelofelijk veel van je geleerd. 
Ik zal met je blijven praten en je om raad blijven vragen. Als het leven mij overvalt zal ik omhoog kijken en opnieuw beseffen dat het allemaal vergankelijk is. 

Niets is van ons, alles is geleend. Minder bezit, meer connectie met de aarde, de wortels, de bomen, de dieren, de zielen, de wind, het water en het vuur. 
Zo wil ik leven en zo ga ik leven. Stapje per stapje. Met jouw hand in de mijne en jouw ketting rond mijn hals. 


Veel liefs,
Je kleindochter





dinsdag 10 november 2020

De kracht van verlangen

15:00, slaat de klok. 

Een roodblauwe gloed sijpelt mijn raam binnen en komt me vertellen dat de avond heel vroeg valt vandaag.
Al de hele dag ben ik dingen aan het maken. Naaien, plakken, opzoeken, puzzelen, oplossen en ontwerpen. Ik ben al maanden als een gek aan het werk om mijn (voor mij niet zo) kleine droom naar de realiteit te tillen. Een creatief hoofdberoep. 

Op ritme van muziek duw ik het naaldje door de stof en denk ik aan Gent. 
De stad waar ik tot voor kort drie kwart van mijn sociaal leven spendeerde. De stad waar ik nu al bijna een jaar niet meer geweest ben, noodgedwongen. Een plotse golf van eenzaamheid overvalt mij.
Ik hou me aan de regels want ik wil dat we snel alles terug kunnen oppikken. Maar toch, soms word ik triest. 

Het kleine dorpje waar ik woon is stil, levenloos. Mensen zijn er nors en koud. Boos op elkaar.
De naald gaat opnieuw door de stof terwijl ik even naar buiten kijk en ik besluit om mezelf vijf minuten te geven om professioneel te zagen. 



Ik mis het dansen.
Al meer dan een half jaar heb ik niet meer gedanst, ben ik niet meer naar boombal geweest.
Heb ik geen vrienden meer geknuffeld, knuffelkonijn dat ik ben.
Ik mis mijn vrienden.
Ik mis de nachtelijke avonturen in de stad.
Ik mis het spontaan afspreken met dierbaren.
Ik mis mijn ouders, ook al mag ik op een afstandje zitten in hun tuin en genieten van hoe zij het kampvuur in gang houden.
Ik mis mijn broers.
Ik mis het om samen met de oudste te werken aan mijn website.
Ik mis het spontaan aanraken van mensen om te tonen dat ik me openstel.
Ik ben gefrustreerd omdat ik niemand meer kan leren kennen en dat ik dus op mijn achtentwintigste nog altijd alleen ben, niemand oprecht kan liefhebben en mijn zielswens naar een kindje alleen maar opschuift.
En god, wat mis ik mijn oma. 



Voila, vijf minuten heb ik mezelf gegeven. En ik heb eens goed gemokt. Ik steek de kaars aan die ik van oma kreeg.
Een kaars waar de instructies specifiek verzochten om hem alleen aan te steken als ik een eenzaam momentje had. Topvrouw, mijn oma.
Ik kijk dankbaar naar het dansend vlammetje. Want mijn oma is nog in ons midden. Ik stuur haar een berichtje en ben blij dat we beiden in staat zijn om met elkaar te communiceren. Te vertellen. Te connecteren. Ik adem in en besef dat er mensen zijn die happen naar de lucht die ik vlotjes tot mij neem. Dus ik ben weer dankbaar. Ik besef heel bewust dat ik adem. Mijn katje komt kopjes geven. Ik ben helemaal niet alleen. Ik heb zalige ouders, machtige vrienden, fantastische huisdiertjes, een dak boven mijn hoofd en een sociaal leven die ik hopelijk binnen een jaar weer helemaal kan oppikken.

" 't Is een beetje oorlog he.." Zegt papa soms. Misschien wel. Soort van. Alleen gelukkig zonder bommen en gruwelijke bloedtaferelen waar kinderen hun vermiste ouders zoeken en niet weten wat het woord "jeugd" betekent. 

"Maar ook die is gestopt." Voegt hij er dan altijd aan toe. Wijze man, mijn papa. Ik glimlach. 

Er zijn nog pandemieën geweest. Nog wereldoorlogen, nog rampen. Ik heb geduld en kijk met sterrenogen uit naar mijn eerste dans, mijn eerste nieuwe kennismaking, mijn eerste nachtelijke uitstap in de straten van de levende stad. Ik kijk uit naar de nieuwe geuren, nieuwe sferen, het speelse geflirt en de diepe gesprekken met verrijkende mensen. Och man, ik kijk er zo naar uit. 








zaterdag 30 mei 2020

Een typemachine, papier en goeie gedachten.

Het getik van mijn oude typemachine vult mijn atelier. De ochtendzon valt op zijn klavier en mijn vingers spelen met de schaduw.
Sinds ik hem herstelde is elk excuus goed genoeg om een brief te schrijven.

In mijn vredige chaos vlieg ik van hier naar daar. Ik maak een inventaris van alle materialen die ik heb en maak de berging vrij. Helemaal leeg. Met een voldane grijns kijk ik naar wat ik bereikt heb de laatste weken.
Ik dans in dit moment zorgeloos op de muziek en kan eindelijk terug de controle over mijn gedachten krijgen. Ik stel me de berging voor, gevuld met alles wat mijn nieuw project inhoudt.
Al weken ben ik nu al aan het werken aan mijn idee. En het geeft me zoveel energie. Mijn plan om het op de markt te brengen krijgt vorm.

In mijn job ben ik nog steeds zoekende. En dat vraagt veel energie. Maar voor de rest gaat het goed. Het gaat zo goed.
Het kost me niet zoveel tijd meer om te herstellen van energiegezuig. Sinds een week of drie is de storm gaan liggen. Eindelijk.
Sinds een week of drie kan ik weer andere dingen voelen dan zwart, onrust, stilte. Ik voel de veerkracht eindelijk terugkomen waarvan ik zo bang was dat ik die kwijt zou zijn geweest. Ik kan opnieuw een boek lezen zonder elke pagina vier keer te moeten lezen en het dan te moeten opgeven.
Ik voel dat ik eindelijk, na bijna een jaar herstel, niet meer in mijn reserves moet tasten elk moment er iets van mij gevraagd wordt.
Ik verdrink niet meer. En het voelt zo veilig, zo vertrouwd, zo bevrijdend.

Sinds een week weet ik dat ik officieel in mijn huisje kan blijven wonen. Een zorg die ik uit mijn achterhoofd kan schrappen. In diezelfde week verloor ik een huisdiertje, en hoewel het mijn zo ongelofelijk veel verdriet deed ben ik dankbaar dat ze bij mij was, en ik bij haar. Dat ze bij mij mocht wonen en dat ze in mijn armen gestorven is, veilig. Een half jaar geleden zou ik opnieuw gebroken zijn, maar zij was mijn bevestiging dat ik kracht aan het herwinnen ben.
Met een zoentje op haar neus zei ik haar dat ik haar graag zag en dat ik hoopte dat ze een goed leven had gehad bij mij.

Ik kijk tevreden naar het eindresultaat van mijn typwerk.
Lotje, mijn konijntje, ligt aan mijn voeten te dommelen en ik ben in vrede met mezelf. De doelen in mijn leven komen terug en ik krijg terug ambities.
Zo besluit ik grote kuis te houden in mijn leven. In mijn huis, in mensen die ik al dan niet nog toelaat, in bezittingen en vooral in dingen die mij energie geven of ontnemen. Ik leerde mijn energie beschermen. Ik beloof mezelf hier en nu plechtig dat ik het nooit nog zo ver laat komen en dat ik mijn grenzen beter zal bewaken. Een zware belofte, want dat vind ik ongelofelijk moeilijk.
Ik besluit veel meer zelf te maken en te genieten van de processen.

Sinds kort heb ik niemand anders meer nodig om een zwarte leegte op te vullen.
Ik schreef neer waar ik dankbaar voor was, en elke dag vul ik de lijst aan.


  • Ik heb huisdiertjes die zo ongeveer mijn kindjes zijn, waar ik voor kan zorgen. 
  • Ik geniet enorm van een brandend vlammetje.
  • Als ik thuiskom staat Lizzy, mijn katje, me op te wachten aan de deur. Dan voel ik me geliefd.
  • Ik heb twee ouders die mij ongelofelijk ondersteunen. Die supporteren, die mij liefhebben. Ik ben een ongelofelijk grote gelukzak. 
  • Het geluid van onweer. Er is niks mooiers. 
  • Een krachtige vriendenkring die mij aanvaardt zoals ik ben in mijn totaliteit, geen maskers. 
  • De mogelijkheid om zelfstandig te leven en niks te kort te komen. 
Ik heb niet te klagen, verre van. 
De fysieke eenzaamheid is er nog, maar ik kan er mee om. Ik aanvaard. En het is verrijkend. Ik leer. Ik bezit eindelijk terug de capaciteit om terug te leren. Het gaat goed. 




Ik lig op mijn buik. Mijn neus raakt bijna die van de wolf. Ook hij ligt neer. We kijken naar elkaar. Niet dreigend, niet vechtend maar in rust. 
Ik glimlach. In de verte hoor ik mijn innerlijke kind spelen met een klein wolfje. Mijn kin rust op mijn arm, en de andere streelt zijn neus. 
Zijn hart slaapt, en zijn ogen nu ook. De ketting heb ik niet meer in mijn hand. Die hand wordt nu gebruikt om terug verbinding te zoeken met de wolf. 
Hij is niet meer immens groot maar ik besef dat hij nooit de gestalte van een normale wolf zal aannemen. Maar zoals het nu is, is dat oke. 
Ik neem er vrede mee. En hij voorlopig ook. 


woensdag 22 april 2020

Huidhonger

Ik zit met Iréne in het zonnetje. Haar tweelingzus speelt samen met Inez in de tuin.
Ze zijn alledrie stapelzot vandaag.
We zitten op de grond. Iréne eet haar vieruurtje op haar gemakje op.
"Hoe was het op school vandaag?" Vraag ik haar moederlijk.
Ze vertelt over de werkjes die ze moesten doen, hoe saai ze zijn. Maar dat buitenspelen wel leuk was.
Deze morgen geraakte ik moeilijk uit bed. De goeie dagen beginnen terug te komen, maar vandaag was geen goeie dag. Ik troostte me met de gedachte dat ik mocht gaan werken. Want dan voelde ik me nuttig en kon ik effectief praten met andere mensen.
Inez maakt van de tuin een jungle en verzint er meteen een heel toneelstuk bij. Ik lach oprecht.
Ja, ik ben blij dat ik op mijn werk zit met deze drie kabouters.

De voorbije dagen heb ik de moed gevonden om brieven en kaartjes te schrijven naar heel wat mensen. Ik vroeg adressen van iedereen die liefde in hun brievenbus wilde en betaalde me blauw aan postzegels en kaarswax. Zo onderhield ik mijn gevoel van nut. Ik voelde me er ook echt beter door.

We spelen schipper mag ik overvaren. Met de nodige "ik tik je dan wel met een stok" alternatieven.
Aurélie komt op me afgerend en wil me knuffelen. Ik hou haar zo liefdevol mogelijk tegen en zeg haar dat dat even niet kan.
"Maar waarom niet!" Gilt ze ontgoocheld. "Da's nu al zo lang. Wij knuffelen toch altijd? Jij knuffelt toch altijd zoveel?"
In een zoveelste poging om het haar uit te proberen leggen voel ik mijn hart zakken.
Ik slik mijn "kind, je hebt geen idee hoe graag ik jou nu zou willen vastpakken" in en vervang die met een zoveelste kindvriendelijke corona-beestje-verhaal.
"Maar ik wil jou knuffelen..." Ze meent het. En ik ook. Ik ga voor haar zitten en glimlach triest. Ik voel dat ze het niet begrijpt.
Haar blik verandert snel en ik herken het ook meteen.
De woorden "'k Ga het toch doen!" hebben de lucht nog niet beneveld of haar armen hangen al rond mijn nek. Ik walg van mijn eerste weg-duw-reflex, neem haar in de plaats stevig vast en omhels haar even gemeend. Ik voel tranen opwellen en besluit, nu het toch al te laat is, om het er ten volle van te pakken.
Ik druk haar dicht tegen me aan, en ik voel dat zij er even hard van geniet als ik. Het is zo oprecht. En zo schuldig...
Ze lost me en ik merk dat ik dat niet wil. Het duurde maar een paar seconden. Hoe kan dat genoeg zijn... Dat is niet genoeg...
Ze rent eigenwijs terug naar haar vriendinnetjes en glimlacht trots naar mij terwijl ze vraagt: "Wat moeten we doen om over te mogen steken?".
Zich van geen kwaad bewust. Ze zien mijn tranen niet, want ik slik ze vrijwel meteen terug in.
Ik voel een vreemd gevoel van opluchting omdat er op dat moment geen ouders toegekomen zijn. Het voelde zo illegaal. En dat op zich voelt ook al zo fout.

Bijna twee maanden is het nu, dat ik geen enkel fysiek contact heb gehad. Geen knuffel, geen aai over mijn gezicht, geen hand op mijn rug, geen ondersteunende schouder onder mijn hoofd. Ik slaap slecht, woel hele nachten door, heb hartkloppingen en angstmomenten, voel me triest en ongelofelijk alleen. Het woord depressie gebruik ik niet meer. Hoewel die nog aanwezig is voel ik dat die kracht verliest, en ik kracht win. In hele kleine dingen.
Zoals de brieven die ik schrijf naar mensen om hen op te beuren. Alles komt heel langzaam, maar even zeker terug.
Maar de huidhonger vult mijn lege huis elk moment van de dag, die zonder mij lijkt over te gaan in de nacht.
De laatste drie dagen heb ik met een kussen rondgelopen, gewoon om iets te kunnen knuffelen.
De laatste dagen huil ik mezelf in slaap. Da's handig, dan ben ik moe genoeg en halveert de piekertijd.
Ik huil bij de minste banaliteit. Plots kan ik op commando huilen. Hoe gek is dat?

In mijn hoofd maak ik een lijst van alle mensen die ik ga platknijpen wanneer dat weer toegelaten is.
Ik heb het verbluffende geluk dat die tijd voor mij terugkomt. En dat besef ik heel goed.
Ik voel hoe ik alles langzaam weer opbouw. Hoe ik weer meer en meer in staat lijk te zijn om voor anderen te zorgen, om paraat te staan. Net zoals vroeger. Dat is zo lang geleden...
Maar ik voel ook hoe ik moet vechten nu.
De wandelingen staak ik. Ik word omver gelopen door tientallen wielertoeristen die zich geen zier aantrekken van de maatregelen en krijg zelfs middelvingers naar me toegegooid. Ik kan mijn hoofd er niet meer leegmaken want ik ben er niet meer alleen. De frustratie van teveel mensen is te aanwezig en ik ken geen routes waar geen mensen komen. Maar ik wijs mezelf erop dat ook dat terugkomt.
Het blijft niet duren.
Het duurt belachelijk lang. Maar het is ook eindig.

Het is eindig, het is eindig, het is eindig.

Ik koester de knuffel die ik deelde met Aurélie. Ik heb er zoveel meer nodig, maar dit is wat ik voor heel even kon krijgen.

Het komt terug. Ik ben niet alleen, ook al voelt dat nu heel sterk zo.
Het komt terug, ik ben niet alleen, het is eindig.